Tekstvak:  Financieel OnderzoeksBureau Apeldoorn

Buitenlands vermogen

Even voorstellen

Buitenlands vermogen

Inkeerregeling

Spaarrenterichtlijn

Inkeerprocedure

Reacties

Interviews

Nieuws

FOBA

Contact

Onderzoek Belastingdienst naar buitenlands vermogen

Sinds 2002 zoekt de Belastingdienst actief naar (verzwegen) buitenlandse bankrekeningen en buitenlands onroerend goed. Aan dit onderzoek is de zogenoemde inkeerregeling verbonden, die de belastingplichtige de mogelijkheid biedt om alsnog buiten de belastingaangifte gehouden rente en vermogen boetevrij aan te geven.

 

Als Nederlands belastingplichtige dient u op uw aangiftebiljet ook uw in het buitenland aangehouden spaartegoeden en buitenlands onroerend goed op te geven. Als inwoner van Nederland wordt immers uw wereldinkomen en wereldvermogen belast.

 

Aangezien sprake is van buitenlands inkomen/vermogen mag de fiscus de inkomsten- c.q. vermogensbelasting
over de niet opgegeven rente/vermogen in principe 12 jaar navorderen (in plaats van 5 jaar, wanneer er sprake
is van verzwegen binnenlands inkomen/vermogen). Vanaf 2001 kan door de Belastingdienst nagevorderd worden over het forfaitaire rendement (4%) van het buitenlands vermogen (de vermogensrendementsheffing, box 3). Naast de verschuldigde belasting brengt de Belastingdienst ook nog rente in rekening over de destijds verschuldigde belasting (heffingsrente) en voor inkeerders vanaf 1 juli 2010 een boete van 30%.

 

Door de Belastingdienst wordt gesteld dat het opzettelijk niet of onjuist aangeven van vermogen in het
buitenland gelijk staat aan het plegen van een misdrijf. Door op tijd gebruik te maken van de inkeerregeling
kunt u voorkomen dat de inspecteur u zware sancties oplegt als hij de betreffende onjuistheid zelf ontdekt.
De sancties kunnen dan bestaan uit het opleggen van (hoge) vergrijpboeten (sinds 1 juli 2009 maximaal 300%) of het instellen van strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie.

 

Fictief rendement

Tot 2001 werden de inkomsten uit vermogen (rente, coupons, dividend) belast voor de inkomstenbelasting.

Bepaalde buitenlandse beleggingsinstellingen keren geen rente uit.

Op grond van de fictief-rendementregeling (art. 29A Wet IB oud)wordt door de Belastingdienst jaarlijks een bepaalde minimumrendement op aandelen/participaties in een buitenlandse beleggingsinstelling als dividend belast.

Het fictieve rendement wordt berekend over de waarde van de aandelen/participaties per 1 januari.

De hoogte van het fictieve rendement is afhankelijk van het soort belegging dat in de beleggingsinstelling aanwezig is:

- Het fictieve rendement bedraagt in beginsel 6% (als de bezittingen van het fonds voor meer dan 50% bestaan uit schuldvorderingen);

- Dit percentage van 6% wordt verlaagd tot 4,8% indien blijkt dat het fonds minder dan 50% heeft belegd in obligaties en andere schuldvorderingen (en dus bijvoorbeeld tenminste 50% in aandelen). De bewijslast voor dit lagere percentage ligt bij de belastingplichtige!.

Aandelen/participaties die slechts een gedeelte van het jaar in het bezit van de belastingplichtige zijn, krijgen een tijdsevenredig percentage (per hele maanden) toegerekend.

Indien de buitenlandse beleggingsmaatschappij wel een deel van de door haar genoten opbrengsten uitkeert maar minder dan het percentage van 6% of 4,8%, dan wordt het fictieve rendement gesteld op het verschil tussen het percentage van 6% of 4,8%, en het in werkelijkheid uitgekeerde bedrag.

 

Geen generaal pardon in Nederland.

In 2003 zijn er door Kamerleden vragen gesteld aan de Minister van Financiën of er op het Ministerie plannen bestaan op het gebied van een generaal pardon voor zwartspaarders in het buitenland.

De minister van Financiën antwoordde als volgt:

“Op de vraag of er op Financiën plannen zijn om een fiscaal generaal pardon te verlenen voor Nederlanders met zwarte spaartegoeden in het buitenland kan ik ontkennend antwoorden. Volgens berichtgeving in de pers heeft de Italiaanse amnestieregeling bij het vrijwillig melden van zwarte buitenlandse tegoeden geleid tot een aanzienlijke “repatriëring” van zwarte buitenlandse tegoeden terug naar Italië. Ook de Belgische regering heeft in september plannen goedgekeurd om een belastingamnestie in te voeren per 1 januari 2004. Deze plannen zijn echter niet onomstreden. Vanuit Europees rechtelijk oogpunt zijn er bezwaren omdat voor de toepassing van de amnestie met een gunstige als voorwaarde geldt, dat buitenlandse tegoeden worden geïnvesteerd in de Belgische economie. Een ander bezwaar is dat fraudeurs door de amnestieregeling gunstiger zouden worden behandeld dan eerlijke belastingplichtigen. Het is de vraag hoe de Belgische regeling er uiteindelijk uit komt te zien en wat de uiteindelijke resultaten zullen zijn.

Het beleid van Financiën is daarentegen erop gericht om Nederlanders met zwart vermogen in het buitenland stevig aan te pakken en, via gerichte publicitaire acties, het beroep op de zogenaamde inkeerregeling te stimuleren. De inkeerregeling houdt in dat belastingplichtigen die besluiten hun zwarte vermogen spontaan bij de Belastingdienst te melden, niet strafrechtelijk worden vervolgd (als dat aan de orde zou zijn). Wel moeten ze alsnog de belasting betalen die ze in het verleden hebben ontdoken. Het gaat dan om inkomstenbelasting in box 1 (tegen maximaal het tarief van 52%) en box 3 (vermogensrendementsheffing tegen 30%). Voor belasting verschuldigd over jaren voor 2001 gaat het om inkomstenbelasting (tegen het in de betrokken jaren geldende progressieve tarief) en om vermogensbelasting (tarief van rond de 0,7%). Tevens moet sinds 1 juli 2010 een boete van 30% over de verschuldigde belasting worden betaald.

Een generaal pardon zou niet alleen rechtsongelijkheid betekenen ten opzichte van degenen die hun tegoeden altijd netjes hebben aangegeven maar ook ten opzichte van degenen die inmiddels zijn beboet, strafrechtelijk vervolgd of gebruik hebben gemaakt van de inkeerregeling. Verder zal vanaf 1 juli 2005 de spaarrenterichtlijn worden toegepast. Op basis van deze richtlijn wisselen de Europese lidstaten informatie uit over grensoverschrijdende rentebetalingen aan natuurlijke personen”.